dinsdag 6 september 2011

Van Babel noar Twente en wierumme


Onderstaand artikel is geschreven voor de Bodbreef, Twents kwartaalblad voor de streektaal.

Doar gung ze, de bouwleu van Babel. Ze konnen mekoar nit mear verstoan. Het was toch zoo mooi ewes: eene sproake, eene grootn toren en nooit gin geneul wier. Ze konnen mooi op eene stea bliewen en zollen miskien verestig wal zoonder God können, mear dee hoogmoodige plannen har de Almachtige deunig veraltereerd.

Mear ja, het hoes van de taal (of zonnen taaltoren) muj dan ook nit op zaandgroond bouwen. Want at ‘t begeent te regenen kan’t lellek kom te valn, vuural as zonne toren van heel hoge mut kommen, zo a-j zo mooi könt zeen op den plate van Gustave Doré. Het is netuurlijk zobiejzo better um’t op steender te bouwen, dan kan’t nog wat hebben. In Twente veule viej oons netuurlijk best te passe met oonze sproake, en Babel, doar he-w ’t nooit oawer, mear um toch nen betje nen Babilonisch geveul te kriegen muj dit stuk’n oet ’n oold Engelsen biebel (Mattheüs 7: 24-27, West-Saxon gospels) mear ’s heanig leazen (1) :

Ælc Þara Þe Þas min word gehierÞ, and Þa wyrcÞ, biÞ gelic Þæm wisan were, se his hus ofer stan getimbrode. þa com Þær regen and micel flod, and Þær bleowan windas, and ahruron on Þæt hus, and hit na ne feoll: soÞlice hit wæs ofer stan getimbrod.
And ælc Þara Þe gehierÞ Þas min word, and Þa ne wyrcÞ, se biÞ gelic Þæm dysigan menn, Þe getimbrode his hus ofer sand-ceosol. þa rinde hit, and Þær common flod, and bleowon windas, and a-hruron on Þæt hus, and Þæt hus feoll; and his hryre was micel.

Miskien veul ie oe wal net zo unheimisch as dee leu op’n toren toen ze mekoar nit meer versteun. Mear a-j good kiekt en leest kö-j d’r verskilnde wöare zoo oethaaln: word, wisan (’n wiezen), hus, regen, flod, bleowan (bloazen), windas, feoll (völ), gelic (geliek). En miskien hej d’r al wa mear oet ehaald. Aj wat better kiekt kö-j ook zeen det op zinsniveau d’r nog wal wat ’t zelfde is. þa rinde hit (doar reegn’t hen), en ook köj good zeen det ’t wal wat liekt op oold Hollaands.

Noe zo-j miskien deenken det noa al det verskel met de Fraansken ‘t Engels vuural nen Latijnse tale is mear det is nich zo en dit stukn bewiest det netuurlijk. Germaanse stammen treuken duur Engelaand en heb’t doar öar sporen achter eloaten. Van oorsprong is’t Engels dus nen Germaanse tale, net als Duuts, Hollands en oonze prachtige Twentse modersproake.

De ervaring leart det aj ’t zoonder vuurbereiding vuurleast an ’n klas jonge meuge oet Twente det ze meteen begriept det ’t geet oawer de gelijkenis van ’n wiezen en ’n dwoazen bouwer. (den wiezen bouwen met fundering, den aanderen zoonder) A-j ze dan oetlegt det dit oet een oold Engelsen biebelvertaling koomp van zon betje ’t joar 900 of 1000 kö-j ze meteen loaten zeen hoe mooi de taal feailijk is en det ’t Twents völle eulder is dan ’t gewoone Hollaands - en det ’t zo gek nog nit is om den taal natuurlijk ook te sprekken.

As nen echte Anglofiele Twent goa ik dan mooi verdan oawer Geoffrey Chaucer en William Shakespeare en hoe mooi a-j dan könt zeen hoe ’t Engels veraandert is en wat vuur mooie klaanken d’r in zit, hoe prachtig dee toneelstukke van Shakespeare zeent en nog völle mear.

Bliekboar, deenk ik dan stiekum, hef den Babelsen toren ook nog wat goods ebrach.


(1) Dit teekn, Þ, muj oetsprekken as in ‘t Engelse think. Nen th-klaanke het zoiets

donderdag 21 oktober 2010

Favoriet: Scruton

Onderstaand stukje stond op 19 juni 2010 in het Reformatorisch Dagblad. Hoewel ik meerdere favorieten heb, heb ik voor Scruton gekozen omdat ik me op dat moment in zijn werk verdiepte.



Rijssenaar Kees Jansen (22) slaat er nogal eens een filosoof op na. Zijn favoriet is de Britse conservatief Roger Scruton (1944).

„Scruton spreekt mij buitengewoon aan. Hij is op dit moment een van de meest prominente conservatieve denkers en heeft tientallen boeken over de meest uiteenlopende werken op zijn naam staan waarin hij met name het moderne denken ontmaskert.

De hoogleraar filosofie te Oxford is niet alleen een fervent criticus van het revolutionaire denken, maar ook een hartstochtelijk verdediger van het christendom. Op 27 maart 2007 debatteerde Scruton bij het Engelse debatinstituut Intelligence Squared over de stelling: ”We zouden beter afzijn zonder godsdienst”. Zijn tegenstrevers waren niemand minder dan de befaamde atheïsten Anthony Grayling, Christopher Hitchens en Richard Dawkins.

In een soevereine stijl betoogde Scruton dat we niet beter, maar zelfs slechter af zouden zijn zonder religie, omdat wij dan, wanneer de wetenschap tot dwingende norm verheven is, niet meer in staat zijn de waarom- en waartoevragen van de mensheid te beantwoorden.

Hoewel Scruton, die elke zondag het orgel in de anglicaanse dorpskerk in Brinkworth bespeelt, zegt geen gelovige te zijn, zinspeelt hij in zijn werken op het natuurrecht. Iets wat zijn landgenoot de apologeet C. S. Lewis en Augustinus ook al deden. Dat maakt hem ook voor orthodoxe christenen tot een denker van groot belang in het zoeken naar antwoorden op vragen die ons vanuit de a- en antigodsdienstige zijde toegebeten worden en waar we ons zo vaak geen raad mee weten.”

Moderne kunst

Diederik Boomsma, medeauteur van het boek Conservatieve vooruitgang, schreef een mooi stuk over de 'opstand tegen de kunsten'. Lees het hier

woensdag 20 oktober 2010

Rijssens Stille Oorlog: Verwarrende eenzijdigheid

‘Onze aardbol is rond, en alom heerst op aard’ het woeden der geschiedenis. Eén gemeente echter ken ik, nog even onberoerd als op de dag der schepping: Rijssen.’ Aldus Belcampo aan het begin van de langverwachte film Rijssens Stille Oorlog. Ondanks de woorden van Schönfeld Wichers woedt er in Rijssen toch ‘een stille oorlog.’ Dat stelt althans Fatma Öztürk, een van de hoofdpersonen in de film, en met haar de filmmaker, Emile van Rouveroy van Nieuwaal, die de film regisseerde en bovendien deze titel gaf. De film gaat over de spanningen tussen orthodoxe christenen en gematigde islamieten. De suggestie wordt gewekt dat Rijssen een gespleten gemeenschap is waar de integratie, dankzij de refo’s, anders verloopt dan in de rest van Nederland. Van Rouveroy wil prikkelen, zo stelde hij herhaaldelijk in interviews voorafgaand aan de vertoning. Wie echter zijn eindproduct bekijkt moet concluderen dat de film eenzijdig is en niet prikkelt, maar veeleer verwart.

Een van de personen die centraal staan in de film is Fatma Öztürk, een Nederlands-Turkse moslima. Zij verhaalt van haar negatieve ervaringen en de spanningen die ze merkt als moslim en als inwoner van Rijssen. Ze lijkt te suggereren dat de spanningen voor een groot gedeelte veroorzaakt worden door orthodoxe refo’s. Bewijslast ontbreekt echter. Dat haar ervaringen erg vervelend zijn, daar behoeft niemand aan te twijfelen. Maar, zo kun je je als kijker afvragen, zijn haar ervaringen normatief in deze discussie en is daarmee het door haar genoemde begrip ‘stille oorlog’ gerechtvaardigd? Zo niet, waarom is Rijssen dan gekozen als decor? Bovendien roept de rest van de film, zeker na de nuchtere bijdrage van de Turkse automonteur Bilal Kaya, de vraag op of Öztürk daadwerkelijk de spreekbuis is voor de hele islamitische gemeenschap.

Deze laatste vraag kan ook gesteld worden bij de bijdrage van de andere, en enige(!) Rijssenaar met een hoofdrol in de film, de reformatorische boekhandelaar Wieger Smijers. Zijn uitspraken kunnen op de kijker wat knoestig en ongenuanceerd overkomen, maar ook hier geldt de vraag of hij de spreekpersoon voor alle orthodoxe protestanten is. Bovendien wordt niet geheel duidelijk hoe hij de aanwezigheid van de islam en de islamieten ervaart. Het blijft bij wat algemene uitspraken. Hierbij komt Smijers tot de conclusie dat de god van de Islam niet de ware god is en daarom de islamieten in de grond een dwaalleer aanhangen. Zo wordt gesuggereerd dat de orthodoxe protestanten de islamieten hun overtuiging misgunnen en is weer aangetoond hoe bekrompen en onverdraagzaam refo’s eigenlijk zijn. Of de werkelijkheid in Rijssen ook zo beleefd wordt, wordt nergens duidelijk.

Dat brengt meteen bij een belangrijk verwarrend element: De verschillende perspectieven van de hoofdpersonen. De filmmaker wil prikkelen tot debat. Maar welk debat? Fatma Öztürk heeft het over spanningen die veroorzaakt worden door refo’s, maar stelt meteen dat het niet alleen in Rijssen speelt, maar dat het ook een ‘probleem is van Nederland, Europa en eigenlijk het Westen’. Dat suggereert dat het integratievraagstuk op tafel ligt. Daarnaast kan de kijker zich ook afvragen of er wel een dialoog gevoerd wordt tussen beide religies, gezien de bijdragen van Smijers en Öztürk. De een spreekt over integratie en vervelende ervaringen, de ander over de meer inhoudelijke kant van religie. Uiteindelijk is er maar een perspectief dat echt goed uit de verf komt: dat van de filmmaker.

Gaandeweg de analyse vraagt men zich af welke journalistieke bedoelingen er achter de film zitten. De filmmaker moet, naar eigen zeggen, gezocht worden in neo-marxistische hoek. Zeer links dus. Zouden zijn eigen opvattingen over religie er de oorzaak van kunnen zijn dat de film zo eenzijdig is? In een interview met dagblad Trouw stelde van Rouveroy dat hij ‘religieuze terreur’ aan de kaak wil stellen. Hij doelt dan op orthodoxe bevindelijk gereformeerden. Dat hij de extremen opzoekt geeft van Rouveroy ruiterlijk toe. ‘Die zijn voor mij het interessantst. Ik wil in de film laten zien dat religie de vertegenwoordiger is van de macht.’ Dat van Rouveroy zijn eigen vooronderstellingen heeft is best, maar dat leidt dan wel tot een subjectieve en zelfs feitelijk onjuiste weergave van de werkelijkheid. Hij mag dan zijn artistieke vrijheid als filmmaker gebruiken, maar dan is het op z’n minst opmerkelijk dat hij zich als wetenschapper afficheert. En van wetenschappers mag men toch enige objectiviteit en distantie verwachten. Zo is Rijssen overgeleverd aan de linkse vooroordelen van een emeritus hoogleraar rechtsantropologie en is een eenzijdige film hiervan het verwarrende resultaat.

Drs. Ewart Bosma is docent geschiedenis en werkt momenteel aan een proefschrift over bevindelijk-gereformeerden. Hij is tevens raadslid voor de SGP te Rijssen
Kees Jansen is student/docent Engels. Hij is voorzitter van de SGP-jongeren te Rijssen. Zij schrijven dit stuk, voor Twents opinieweekblad 'De Roskam', op persoonlijke titel.

zaterdag 17 april 2010

Grondrechten gediscrimineerd en vrijheden ontmanteld

Het hoge woord is eruit. De Hoge Raad, het hoogste gerechtshof in Nederland, oordeelde twee weken geleden dat de Staat maatregelen moet nemen om de Staatkundig Gereformeerde Partij (SGP) ertoe te bewegen vrouwen op hun kieslijsten te zetten. Een spijkerhard oordeel. De Raad bepaalde dat het ontbreken van vrouwen op de SGP-lijst onaanvaardbaar is ‘ook al berust dit handelen op een voor die groepering in haar godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging wortelend beginsel.’ De feministische bevrijders van de SGP-vrouwen juichten. Aan de andere zijde heerste verbijstering. Daar leefde het besef dat het SGP-arrest de betekenis van de grondrechten radicaal omkeert en dat een minderheidsstandpunt als deze niet langer grondwettelijk beschermd is.

Al sinds het ontstaan van de SGP is er geen vrouw op haar kieslijst verschenen. Hoewel de SGP een zeer vrouwminnende partij is, acht zij het politieke regeerambt bestemd voor de man. De basis voor dat uitgangspunt is volgens de partij Gods Woord, dat de norm is voor het politiek handelen. Als SGP-jongere hoef ik het vrouwenstandpunt niet te verdedigen; Daarom heb ik dit artikel ook niet geschreven. Al langere tijd hebben de landelijke SGP-jongeren vrouwen in het bestuur en ook in mijn bestuur in Rijssen hebben we getalenteerde dames. In de seculiere media was er forse kritiek op het vonnis. Je hoeft dus ook geen sympathisant van het vrouwenstandpunt te zijn om toch enige kanttekeningen bij dit arrest te plaatsen.

In de eerste plaats beroept de Hoge Raad zich op het VN-vrouwenverdrag. Dat lijkt me een beetje flauw. Dat verdrag is niet opgesteld voor deze kwesties, maar voor het tegengaan van vrouwenhandel, mishandeling en dergelijke vormen van discriminatie. Bovendien is de gedupeerde partij in deze rechtsgang afwezig. SGP-vrouwen voelen zich niet gediscrimineerd omdat ze doorgaans dezelfde opvattingen als de partij koesteren of geen behoefte voelen zich er tegen te verzetten. Zij worden nu verplicht zich gediscrimineerd te voelen, hoewel er, zoals twee jonge SGP-dames het onlangs in dagblad Trouw formuleerden, ‘volstrekt geen behoefte bestaat aan deze seculiere schijnbarmhartigheid.’

Daarnaast, zo werd betoogd door Elseviercolumnist dr. Bart-Jan Spruyt, is met deze uitspraak van de Hoge Raad de eenheid van de rechtsstaat verbroken. De SGP stond eerder voor de rechtbank, aangeklaagd door dezelfde gelijkheidsstrijders van het Proefprocessenfond Clara Wichmann. In 2006 verloor de SGP na een vonnis van de Haagse Rechtbank haar subsidie. In 2007 vernietigde de Raad van State dit vonnis. De Raad van State oordeelde: ‘Ook een partij wier gedachtegoed wat betreft de gelijkheid en gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen afwijkt van heersende opvattingen en actuele rechtsontwikkelingen, dient, behoudens ieders verantwoordelijkheid ingevolge het strafrecht, onbelemmerd te kunnen deelnemen aan het publieke debat.’ De Raad nam terughoudendheid in acht bij het beperken van politieke partijen in hun fundamentele rechten. De SGP, zo stelde de Raad van State in haar uitspraak, vormt bovendien geen gevaar voor de rechtsorde.
De uitspraak die er echter nu ligt is een geheel andere. ‘De Hoge Raad heeft nu een tegengesteld oordeel uitgesproken en geoordeeld dat het principe van de gelijkheid zoals vastgelegd in artikel 1 van de Grondwet prevaleert boven de klassieke grondrechten. Bevrijding is belangrijker dan vrijheid, emancipatie kan en moet door de staat worden afgedwongen’, aldus Spruyt in een column in Binnenlands Bestuur.

Door het verheffen van het non-discriminatiebeginsel tot absolute norm wordt de elementaire vrijheid van minderheden beknot. Deze vorm van discriminatie tussen grondrechten heeft verstrekkende gevolgen. Het belangrijkste en meest ingrijpende gevolg, dunkt mij, is dat een seculiere meerderheid een (religieuze)minderheid haar standpunt op kan leggen terwijl juist het essentiële doel van grondrechten is het beschermen van minderheden en hun vrijheden. De vrijheid voor de SGP dus om haar vrouwenstandpunt te hebben.

Dat een partij als de SGP, nota bene de oudste partij van Nederland, met een ontzagwekkende staat van dienst en een constructieve bijdrage aan het politieke en parlementaire debat ten prooi moet vallen aan de grillen van de seculiere ontferming is buitengewoon wrang. In het NRC-Handelsblad van afgelopen zaterdag stelde hoogleraar filosofie Ger Groot het zeer treffend: ‘De uitspraak van de Hoge Raad bevestigt, onder het mom van democratische vrijheid, een afkalvende tolerantie jegens alles wat in Nederland niet tot de politieke mainstream behoort. De trieste uitkomst van deze rechtspraak is dat de discriminatie van grondrechten heeft geleid tot de ontmanteling van essentiële grondwettelijke vrijheden.

De auteur is docent Engels en voorzitter van de SGP-jongeren te Rijssen. Hij schrijft dit artikel, dat vrijdag aanstaande zal verschijnen in Twents opinieweekblad 'De Roskam, op persoonlijke titel.

dinsdag 2 december 2008

Manifest 'Kindgezinde politiek' SGP-jongeren

Onderstaand stuk vormt de inleiding op het manifest 'Kindgezinde politiek' en is geschreven door Dirk-Jan Nijsink, jeugdwerkadviseur van SGPJ en mij. De gebruikte literatuur is aan het eind te vinden.


Het gaat niet goed met het gezin of de familie. Conservatieve mensen, rechtse en linkse mensen, zijn bezorgd – natuurlijk om uiteenopende redenen – over de toekomst van het gezin. Van een stoffig, kneuterig onderwerp werd het gezin een hot item in de politiek. Veel landen in Europa formuleerden gezinsbeleid en in 2006 werd André Rouvoet de eerste minister voor Jeugd en Gezin in Nederland. Het gezin staat al decennia onder druk en dat vindt voor een groot deel oorzaak in de maatschappelijke veranderingen die zich in de jaren 1970 in Nederland voordeden. Zonder hierbij schuldigen aan te wijzen is het belangrijk te constateren dat vooral de aftocht van traditionele waarden hieraan ten grondslag liggen. Het is de verdienste van het christendom en eeuwen Westerse beschaving, die voortvloeit uit het christendom die afkavelen. Daar tegenover staat een nieuwe levenshouding die individualistisch en vooral hedonistisch is.1 Wij zijn er niet van overtuigd dat de christelijke waarden leiden tot een Utopia, dat het anders is heeft de geschiedenis ons wel geleerd. Desondanks durven we toch tegen de stroom in te roeien. In Nederland is het verdacht om een andere mening te hebben dan de meerderheid, onze opvattingen mogen dan ‘betuttelend’ of ‘conservatief’ zijn, wij zijn ervan overtuigd dat ‘een goed gezin het halve werk’ is.

Definities van het gezin
De geschiedenis van het gezin, of de familie, is al zo oud de mens zelf is. Overal waar mensen geleefd hebben en zich voortplantten ontstonden vormen van samenleven. Ook in de Bijbel is vanaf het vroegste begin menselijk leven georganiseerd rondom families en gezinnen. Er bestaat veel variatie in gezins- en familieleven, maar wat vooral opvalt, is de grote mate van onveranderlijkheid. Door de tijd heen treffen we eigenlijk slechts 2 soorten aan: de Großfamilie en de Kleinfamilie: het kerngezin2. De tweede bestaat alleen uit vader en moeder, de eerste is breder en beslaat ook grootouders, verwanten en eventueel personeel dat tot de familie wordt gerekend.

Van Dale geeft de meest eenvoudige definitie van een gezin: ouders en kinderen. Een wat uitgebreidere definitie luidt: ‘Gezin’ is de term voor alle samenwerkingsvormen die een herkenbare sociale eenheid op microniveau vormen, met al dan niet verwante personen die duurzame en affectieve banden hebben en elkaar onderling steun en verzorging verlenen. In de klassieke interpretatie betekent dit 2 biologische ouders, 1 mannelijk, 1 vrouwelijk en al dan niet een aantal kinderen en soms naaste familieleden. Dat er door de moderniteit en het explosieve aantal echtscheidingen een oerwoud is ontstaan aan verschillende vormen van samenleven, met of zonder kinderen, behoeft geen toelichting.

Of we nu over Großfamilie (vooral vroeger op het platteland) of Kleinfamilie (meer in desteden) spreken, het begrip gezin of familie heeft altijd, in positieve zin, de notie gehad van warmte, geborgenheid, de plek waar emoties opgevoed worden, waar het karakter gevormd wordt en waar het kind zichzelf als wezen ontplooid. De functie van het gezin is altijd geweest: Bescherming en zorg voor haar leden. Zijn er kinderen, dan komt opvoeding daarbij.

Ideologische overwegingen
Voordat de bespreking van (het verval van) gezins- en familieleven verder gaat, brengen we de christelijke grondslagen ervan naar voren. Al in Genesis 2 lezen we van een organische en juridische, onverbreekbare eenheid die in het Nieuwe Testament overeind blijft en zelfs een geestelijke duiding krijgt.3 Dit oude christelijke principe is bovendien in de westerse traditie overeind gebleven. Duidelijkheid voorop: wij gaan hier uit van de idee dat het traditionele model het beste is. Vanuit onze christelijke visie is het huwelijk voor man en vrouw, allerlei andere vormen wijzen wij af. Tegelijkertijd erkennen we de gebrokenheid die er op dit punt is. De waardering voor een gezin bestaand uit man en vrouw en eventueel kinderen mag er niet toe leiden dat andere vormen, waar mensen zelf voor kiezen, geen aandacht krijgen. Met andere woorden: politiek zijn we er voor alle gezinnen, maar moreel kiezen we voor het traditionele gezin.

Vanouds beschouwde het westerse recht het gezin, niet het individu, als de fundamentele bouwsteen van de sociale orde. Het gezin werd gezien als eenheid waarvan het hart bestond uit man, vrouw en kinderen. Bovendien belichaamde het westerse recht het idee van gescheiden sferen van activiteit van mannen en vrouwen. Het had het beeld van de vrouw als degene die zorg draagt voor huis en kinderen en van de man als kostwinner en beschermer van het gezin waarover hij heerschappij voerde. De implicaties van een dergelijke visie zijn veelvuldig.4 Ergens kwam de klad erin. Onder invloed van Verlichting en Romantiek5 (1650-1850) zijn de klassiek-christelijke noties van huwelijk tegenwoordig niet meer in zwang. Sinds de ideeën van voorgenoemde stromingen in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw serieus in zwang raakten heeft het klassieke gezinsleven een terugval meegemaakt die zijn weerga niet kent.

Aanleidingen tot het manifest
In Nederland is, in navolging van landen als Duitsland en Frankrijk expliciet gezinsbeleid geformuleerd. Recent bracht André Rouvoet De kracht van het gezin, nota gezinsbeleid 2008 uit. In de nota ligt prachtig verwoord waar de grenzen van de overheid liggen. Veel is er in dit verband gezegd en geschreven over het antirevolutionaire beginsel van ‘soevereiniteit in eigen kring’. Een goed uitgangspunt, maar hier ligt gelijk onze grootste kritiek: als het gaat om de aanpak van problemen bewaakt Rouvoet dit uitstekend. Maar juist als het gaat om een goed gezin en opvoeding van kinderen maakt de overheid al te makkelijk inbreuk in het gezin om, door kinderopvang, een deel van de opvoeding als staat over te nemen. Juist hier moet gelden: eerst het gezin, dan de netwerken en in nood de overheid. Juist hier zou het gezin doel op zich moeten zijn, en de nadrukkelijke koppeling tussen arbeidsparticipatie en het gezin niet aanwezig moeten zijn. De overheid moet een moreel appel doen op haar burgers om tijd – het is niet goed voor het immateriële kapitaal van een samenleving als niemand tijd heeft – te maken voor opvoeding. Niet alleen als een soort Bildung-ideaal, maar als werkelijkheid.

In dit manifest doen we een christelijke handreiking voor ‘kind-gezin-de’ politiek. Daarom zien wij het gezin niet in de eerste plaats als economische eenheid, maar vragen we aandacht voor het gezin als politiek doel op zich. Niet om als overheid de wet voor te schrijven of intensief te bemoeien met levens van burgers, maar om ruimte te geven aan burgers om tijd te nemen voor het opvoeden van kinderen. Kindgezinde politiek wil van Nederland geen ‘kinderrepubliek’ maken, maar kinderen verdienen – dat blijkt ook uit de Kinderrechten – geborgenheid, liefde en ontplooiingsmogelijkheden. Wij geloven in een positieve boodschap. Het gezin is van onschatbare waarde.

Voetnoten
1 Zie voor een heldere uiteenzetting: Henk Hofman, Verlicht of verblind? Een apologie. Over het contrast tussen het traditionele christendom en het verlichtingsdenken (Soesterberg: Aspekt 2008).
2 Andreas Kinneging, Geografie van Goed en Kwaad, filosofische essays (Utrecht: Spectrum 2005) 181-192.
3 Zie Efeze 5:22-33, maar ook Politeia van Aristoteles (Kinneging) en uitleg van Efeze 5: 25: ‘Gij mannen, hebt uw eigen vrouwen lief, gelijk ook Christus de gemeente liefgehad heeft en Zichzelven voor haar heeft overgegeven’ Statenvertaling) door D.M. Lloyd Jones: Life in the Spirit: In marriage,home and work (Grand Rapids: Baker 1976).
4 Kinneging, Geografie van goed en kwaad, 193.
5 Zie voor uitgebreide beschrijving van de invloed van Romantiek en Verlichting op het denken over het gezin en de sociale en maatschappelijke gevolgen hiervan: Kinneging, Geografie van goed en kwaad, hoofdstuk 13 in zijn geheel

maandag 1 december 2008

Cultuur Onderwijzen

Recensie van ‘Waarom Cultuur belangrijk is’ door Roger Scruton.

Te midden van alle negatieve berichtgeving rondom het Nederlandse onderwijs –er liggen immers 2 dikke rapporten dat het met het Nederlandse Onderwijs simpelweg exceedingly slecht gesteld is- verschijnt er een sprankje hoop aan de horizon: Er is een Nederlandse vertaling beschikbaar van het boek ‘Waarom cultuur belangrijk is’ (Culture counts. Faith and Feeling in a World besieged) van de bekende Britse filosoof en prominent conservatief denker Roger Scruton.

In de allereerste zin van het woord vooraf stelt Scruton kort en onomwonden wat het probleem is: "De westerse samenlevingen, van buitenaf beproefd door de radicale islam en van binnenuit door het ‘multiculturele’ denken, maken een acute identiteitscrisis door." In deze tijden van verregaande subjectiviteit en cultureel relativisme lijkt haast geen besef meer te bestaan van de collectief geërfde culturele waarden en het gros van de Nederlanders is hard op weg zich de erfenis van eeuwen Europese Cultuur te onterven en in een weg van individualisme en goedkope zelfverheffing ten onder te gaan.
Als moderne mensen over beschaving spreken zullen ze altijd een levensvatbare democratie en superieure technologie als haar belangrijkste kenmerken opnoemen. Deze verworvenheden, vooral zichtbaar in de geschiedenis van de wording van Amerika, dwingen ons volgens Scruton ons opnieuw te bezinnen op onze westerse beschaving. Amerika, het land waar we zozeer van afhankelijk zijn geworden is in tegenstelling tot Europa een weg opgegaan die zich in geen enkele plaats of tijd herkent. Door ons opnieuw op de westerse beschaving te bezinnen zullen we niet uitkomen bij een immigratieland dat zich niet herkent in enige plaats of tijd, maar bij “een project dat twee millennia geleden voorkwam uit grote gebeurtenissen in het Middellandse Zeebekken, en waarop vandaag de dag de aspiraties en antipathieën van het hele mensdom gericht zijn.” “De sterke nadruk op verworvenheden en weldaden als democratie en technologie weten het hart niet voor zich te winnen”, zo legt Scruton ons in zijn voorwoord uit, “Zij scheppen niet de diepe verbondenheid waarvan de toekomst van onze beschaving afhangt. Ze creëren geen perspectief op het menselijk leven en de betekenis daarvan, dat ofwel bestand is tegen het sarcastische nihilisme van de interne critici van het westen ofwel tegen de humorloze kwezelarij van de islam. Als we met zulke vijanden te maken hebben, gaat het er niet om dat we onze successen bekrachtigen, maar ons recht van bestaan”.
Indrukwekkende taal, maar wat hebben we eraan als we over het Nederlandse onderwijs hebben? Scruton neemt het in zijn boek op voor het christendom dat ons volgens hem in staat stelde ons recht van bestaan te bekrachtigen en ons de diepe verbondenheid liet voelen waarvan ons bestaan afhing, door ons het visioen van Gods genade en onze verlossing te schenken. “Wij(dus ook Reformatorische christenen) moeten cultuur zien als de bewaarplaats van emotionele kennis, waardoor we de betekenis van het leven als doel op zichzelf kunnen leren begrijpen. Cultuur erft van de religie de kennis van het hart, waarvan sympathie de essentie vormt. Maar zelfs als de religie die haar aanvankelijk voortbracht er niet meer is, kan die kennis worden doorgegeven en uitgebreid. Ja, in die omstandigheden is het des te belangrijker dat de cultuur wordt doorgegeven, omdat ze de enig overdraagbare getuigenis vormt van het hogere leven van de mens.”
Als vanzelf volgt hieruit de noodzaak voor het onderwijzen van cultuur. Waarom? “Omdat het zoveel kennis en interesse bevat, kennis hoe met elkaar en met vreemdelingen om te gaan, kennis van het menselijke hart, zoveel liefde voor het leven”, zo stelde Scruton in een interview naar aanleiding van de verschijning van de Nederlandse vertaling.
Scruton gaat ook in op de huidige malaise in het onderwijs en stelt onomwonden dat een van de meest diepgewortelde vormen van bijgeloof van onze tijd zegt dat het doel van onderwijs is om de ontvangers ervan te begunstigen. Met zijn warme cultuurpleidooi in ons achterhoofd wordt het duidelijk dat leerlingen naar school gaan, niet om zichzelf, maar die schat aan morele en emotionele kennis te begunstigen. Alles wordt in het huidige socialistische en egalitaristische denken over onderwijs onderworpen aan dat ene criterium: is het relevant, algemeen voor iedereen? Maar, zo antwoordt de Britse filosoof in hetzelfde interview: ‘The purpose of education is not to sink to the level of people who don’t have it, but raise people up to the level of those who do’. Hij voert een warm en helder beargumenteerd pleidooi voor kennisoverdracht, het onderwijzen van literatuur, muziek en kunt, voor morele vorming en het opvoeden van emoties, zodat leerlingen weten wat ze moeten voelen wanneer er een moreel of esthetisch oordeel wordt gevraagd. Ook de huidige massamedia moeten het ontgelden in zijn boek. Massamedia focussen namelijk niet op reflectief begrip maar op sensatie. Mensen leven op een tijdelijk dieet van opwinding, in een eeuwig heden, zonder verbinding met het verleden en wat dat bracht.
Scruton constateert toch glimpjes hoop in het laatste hoofdstuk. Zoetjesaan groeit er een zachte weerzin tegen het nihilisme. Met name nu, nu het vooral gaat om het hoe van het onderwijs en niet om het waarom en wat is Scruton’s boek een belangrijke richtingwijzer. Voor wie zijn ideeën over onderwijs wil toetsen aan klassiek Europees, christelijk denken neme en leze dit boek.

Kees Jansen

N.a.v. ‘Waarom Cultuur belangrijk is’, Roger Scruton
Nieuw Amsterdam 2007


Dit artikel verschijnt binnenkort in 'De Banier', het partijblad van de SGP. Ik schreef dit artikel namens de SGP-jongeren.

zaterdag 29 november 2008

maandag 13 oktober 2008

JOVD-Twente PJO-debat

Op donderdag 9 oktober jongstleden toog ik met mijn goede vrienden Andre Poortman en Hans ter Harmsel naar Enschede om daar in de raadszaal van het gemeentehuis in debat te gaan met de JOVD(VVD-jongeren), Rood(SP-jongeren) en Jonge Democraten(D66-jongeren) over de onderwijsvernieuwingen, de nationalisering van banken, de multiculturele samenleving, privacy vs veiligheid en marktwerking in de zorg. Het was een enerverend en pittig debat waarbij 'Rood' als team-winnaar uit de bus kwam. Als individuele winnaar van het debat mocht ondergetekende het boek: 'de Wereld volgens Maarten van Rossem' in ontvangst nemen. De Juryvermelding luidde als volgt: 'Ondanks alle vooroordelen die vaak bestaan over de SGP, heeft Kees(met team)eens te meer bewezen dat de SGP een bredere partij is dan menigeen veronderstelt. De zeer terechte winnaar van het JOVD Twente PJO-debat ben jij. Kees verstaat de politieke kunst van het herhalen zonder in herhaling te vallen'.
Het doet mij goed dat ik een bijdrage heb kunnen leveren aan de beeldvorming rond de SGP. Ook mijn teamleden kregen een eervolle vermelding en bovenstaande opmerkingen gelden niet minder voor hen.

maandag 6 oktober 2008

Geen bijtende Apologeet




You don't have a soul. You are a Soul. You have a body.

C.S. Lewis


Wie ooit wel eens over het christelijk geloof gediscussieerd heeft met iemand die de discussie afdeed met ‘fijn-dat-het-voor-jou-zo-werkt’ argumenten, weet hoe lastig het is om het christendom met al zijn claims op een rationele manier te bewijzen en te verdedigen. Al te vaak eindigt de christen die met zijn rand- of ongelovige studiegenoot of collega discussieert dan ook het gesprek met opmerkingen in de trant van: ‘ik voel en ervaar dat nu eenmaal zo’, niet wetend daarmee een net zo subjectieve benadering van het christelijk geloof te hanteren als de opponent met wie hij op dat ogenblik in discussie is.
Iemand die tijdens zulke discussies zijn uiterste best deed het Christelijk geloof te verdedigen was de bekende christelijke apologeet C.S. Lewis. Met steekhoudende argumenten, humor en relativeringsvermogen probeerde hij de redelijkheid van het christendom te verdedigen tegenover ongelovigen. Voor diegenen die een dergelijke impasse zoals hierboven beschreven willen vermijden, is er sinds 2005 een prachtig boekje op de markt, dat met behulp van verschillende teksten van deze Engelse intellectueel ingaat op de typische thema’s van het Christendom die zo moeilijk te verdedigen zijn tegenover niet-christenen, zoals de objectiviteit van normen, de Bijbel, het lijden, het verstand, Openbaring, overtuigingen, wonderen en het gebed.
Het boekje heet ‘Met reden geloven, C.S. Lewis over denken en geloof’. Voor wie graag voor het eerst kennis wil maken met C.S. Lewis doet er goed aan dit boekje aan te schaffen. Het biedt uitspraken, fraseringen en gedeelten uit de verschillende werken van Lewis, waarbij alle met zorg uitgekozen teksten voorzien zijn van een ‘running commentary’. Ook nodigt de soevereine stijl van Lewis uit om het niet alleen bij het lezen van dit boek te laten. Het is ontstaan uit het werk van de C.S. Lewis studiekring dat zich tot doel heeft gesteld te focussen op de apologetische elementen uit Lewis’ werk. Dit boek, geschreven in vlotte stijl, dwingt tot nadenken en helpt bij het zoeken en vinden naar antwoorden. Tolle Lege.

Kees Jansen

N.a.v. ‘Met reden geloven’
C.S. Lewis over denken en geloof (Kok,2005)
Paperback, 123 pagina’s, € 13,20



Een uitbreider artikel over hetzelfde boek, voorzien van meer biografische gegevens, staat ook op deze blog. Dit artikel zal binnenkort verschijnen in 'Raakvlak', het opinie- en verenigingsblad van de Rijssense SGP-jongeren.

Grijs Onderwijs

Het Rapport Rinnooy-Kan kwam in 2007 met opzienbarende cijfers over de toestand van het onderwijs.(zie mijn eerdere artikel) Vanaf het uitkomen van het rapport tot aan 2015 moet voor driekwart van de zittende docenten -dat zijn 47.000 voltijdbanen- een opvolger worden gezocht. ‘De grijze prop’ schiet er binnenkort dus uit. Onlangs was er in de kranten te lezen dat het onderwijs, vergeleken met alle andere maatschappelijke sectoren, de meest vergrijsde bedrijfstak is. Waar de gemiddelde leeftijd van de beroepsbevolking 39 jaar is, bedraagt de leeftijd van de gemiddelde docent in het onderwijs 43 jaar, waarbij mannen ‘ouder’ (gemiddeld boven 45 jaar) en vrouwen ‘jonger’ (ruim 41). Een kwart van de mannen in het onderwijs is 55 jaar of ouder.
Bovenstaand relaas is, zoals we inmiddels wel weten, onderdeel van de algemene onderwijsproblematiek in het Nederlandse onderwijs. Hoewel de vergrijzing een iets afnemende trend laat zien, is er nog steeds weinig aanwas vanuit lerarenopleidingen en lukt het maar niet promovendi, goede alfa’s en bèta’s en andere hoogopgeleiden aan te trekken, ook al was dat een van de glorieuze doelstellingen van Rinnooy-Kan. Erg veel daadkracht toont en toonde onze regering niet in het oplossen van de problematiek. Onze hoop op de minister van Onderwijs stellen lijkt vooralsnog weinig zinvol gezien het feit dat hij, zo verzuchtte Bart-Jan Spruyt in HP/De Tijd, ‘ervoor gekozen lijkt te hebben de geschiedenis in te gaan als de hoedendragende halve bohemien die zich exclusief op de emancipatie van de homofiele medemens toelegt.’
De vergrijzing in het onderwijs legt zoals we zien opnieuw een aantal pijnlijke plekken bloot. Wat moeten we doen tegen de vergrijzing en de feminisering (bij aanwas jonge docenten zijn vrouwen oververtegenwoordigd) van ons onderwijs? Het belangrijkste is een hernieuwde aandacht voor vakínhoud en het terugbrengen van de structureel overdreven aandacht voor onderwijskunde en padagogiek naar beter uitgebalanceerde proporties. De stroom aan onderwijsvernieuwingen heeft, zoals ook geconcludeerd door de Commissie Dijsselbloem , het Nederlandse onderwijs bijzonder slecht gedaan. Dat de huidige misère in het onderwijs vooral door slecht overheidsbeleid kwam bewees de commissie met haar belangrijkste conclusie: ‘De overheid heeft haar kerntaak, het zeker stellen van deugdelijk onderwijs, ernstig verwaarloosd’. De bewijzen zijn overdonderend en we weten allemaal dat het klopt.
Het probleem is niet dat er geen mensen met ambities of relevante opleidingen voor het onderwijs zijn. Het rapport Rinnooy-Kan stelde al dat er een ‘stille reserve’ was van ongeveer 100.000 mensen (promovendi, pas afgestudeerden, goede alfa’s en bèta’s, etc.)die in het bezit zijn van een relevante bevoegdheid. Naast een financiële prikkel moet het onderwijs inhoudelijk ook weer aantrekkelijk worden voor deze mensen. Het parlement heeft de conclusies van Dijsselbloem met instemming en goedkeuring ontvangen dus zou je verwachten dat er met vereende krachten het onderwijs weer op de rails wordt gezet. Maar nog steeds lijkt minister Plasterk meer prioriteit aan de decadente Gay Pride te geven dan aan een degelijk ontwerp van een klassiek curriculum, het teruggaan naar inspirerende docenten die frontaal lesgeven en intellectuele en morele vorming van jonge kinderen en pubers. Extra financiële middelen is volgens de SGP-jongeren een mooie belofte, maar het Haagse adagium ‘Geld erbij, probleem opgelost’ is niet altijd het meest heilzame middel gebleken en zal in deze problematiek ook niet het doorslaggevende element zijn.


Een versie van dit statement is verschenen op de website van de SGP-jongeren.

maandag 22 september 2008

Rationele Romanticus

‘I believe in Christianity as I believe that the sun has risen:
Not only because I see it, but because by it I see everything else.’


Wie ooit wel eens over het christelijk geloof gediscussieerd heeft met iemand die de discussie afdeed met ‘fijn-dat-het-voor-jou-zo-werkt’ argumenten, weet hoe lastig het is om het christendom met al zijn claims op een rationele manier te bewijzen en te verdedigen. Al te vaak eindigt de christen die met zijn rand- of ongelovige studiegenoot of collega discussieert dan ook het gesprek met opmerkingen in de trant van: ‘ik voel en ervaar dat nu eenmaal zo’, niet wetend daarmee een net zo subjectieve benadering van het christelijk geloof te hanteren als de opponent met wie hij op dat ogenblik in discussie is.
Iemand die zich niet af liet schepen met dergelijke modieuze antwoorden was de bekende literatuurwetenschapper(Oxford en Cambridge), kinderboekenschrijver(Chronicles of Narnia) én apologeet van het christelijk geloof: Clive Staples Lewis. Geboren te Belfast in 1898 groeide hij op in een welgesteld anglicaans gezin. In augustus 1908 stierf Lewis’ moeder, wat voor de gevoelige jongen een schok was, en hij keerde zich af van het christendom en werd atheïst, een proces dat werd versterkt door zijn dramatische ervaringen in Engelse kostscholen. Van 1915 tot 1917 studeerde Lewis bij William. T. Kirkpatrick die een ongekende leeshonger bij de jongen aantrof en die door zijn strenge, logische denkwijze de jonge intellectueel in belangrijke mate beïnvloedde.
Lewis bleek een briljant student klassieke talen, filosofie en Engelse letteren en werd al snel na zijn afstuderen fellow aan Magdalen College te Oxford. Ondertussen woedde er in hem een strijd om de erkenning van God waar hij in het autobiografische Surprised by Joy het volgende over optekende: ‘U moet mij voorstellen in die kamer op de universiteit, hoe ik nacht na nacht, telkens wanneer mijn gedachten een moment loskwamen van mijn werk, de gestage, onverbiddelijke komst voelde van Hem, die ik zo ernstig verlangde niet te ontmoeten. Dat wat ik zozeer vreesde was over mij gekomen. In het laatste trimester van 1929 gaf ik mij gewonnen en gaf toe dat God God was en knielde en bad – misschien die nacht wel de meest ontmoedigde en weerbarstige bekeerling in heel Engeland.
Twee jaar na zijn bekering kwam Lewis tot de erkenning dat Jezus de Christus van God was. ‘Jack’, zoals hij genoemd werd, werd sindsdien een van de meest hartstochtelijke verdedigers van het christelijk geloof waaraan hij zich onderworpen had, niet ondanks, maar veeleer dankzij zijn helder denkvermogen dat hem tegen zijn zin in de richting van Christus had gedrongen. Wie het werk van Lewis gelezen heeft weet dat op een ongekend frisse wijze en met een soevereine schrijfstijl het christendom uitgelegd en verdedigd wordt.
Als apologeet nam Lewis het op vooral op tegen het subjectivisme dat stelde dat ‘waarheid’ persoon- en/of tijdgebonden zou zijn. Zijn filosofische werk The Abolition of Man wordt door menigeen beschouwd als een van de krachtigste verdedigingen van het Natuurrecht. Volgens hem leidde ontkenning van de principes van de traditionele zedenleer (universele morele codex, of, wat gereformeerden plegen te noemen: de ingeschapen Godskennis) tot een destructie van de moraal, die immers in dat geval geheel op willekeur gebaseerd zou zijn. Het gevolg is dat de mens als redelijk denkend wezen afgeschaft is en overgeleverd aan de oerdriften die zijn rauwe natuur hem ingeeft: ‘The task of the modern educator is not to cut down jungles, but to irrigate deserts’. Het fraaie aan het oeuvre van Lewis is dat het, apologetisch bezien een coherent geheel is. Zo is in de fantasiewereld ‘Narnia’ de Natuurwet volledig van kracht en overwint het Goede het Kwade door het mysterieuze ingrijpen van Aslan, de leeuw, het archetype van Christus. Ook in zijn ‘The Cosmic Trilogy’ zit veel Christelijke theologie.
Voor wie onbekend is met het apologetische werk van Lewis en daar een goed beeld van wil krijgen leze het in 2005 verschenen boekwerk ‘Met reden geloven, C.S. Lewis over denken en geloof’. Dit boek biedt uitspraken, fraseringen en gedeelten uit de verschillende werken van C.S. Lewis, waarbij alle met zorg uitgekozen teksten voorzien zijn van een ‘running commentary’. Het is ontstaan uit het werk van de C.S. Lewis studiekring dat zich tot doel heeft gesteld te focussen op de apologetische elementen uit Lewis’ werk. Deze bloemlezing van zijn pennenvruchten behandelt verschillende onderwerpen waar de verdediging tegenover niet christenen moeilijk wordt: De objectiviteit van normen, de Bijbel, het lijden, het verstand, Openbaring, etc.
Het boekwerk biedt voldoende inzicht in het werk van C.S. Lewis voor een eerste kennismaking en nodigt uit tot meer. Gelukkig is het werk van deze befaamde denker goed verkrijgbaar in het Nederlands, onder meer in uitstekende vertalingen van Arend Smilde. Tolle lege.

N.a.v. ‘Met reden geloven’
C.S. Lewis over denken en geloof (Kok,2005)
Paperback, 123 pagina’s, € 13,20

Een aagepaste versie van dit artikel verschijnt binnenkort in 'Raakvlak', het opinie-en verenigingsblad van de SGP-jongeren te Rijssen.
(Meer informatie over mij, deze blog, links en leeslijst: onderaan pagina)