dinsdag 2 december 2008

Manifest 'Kindgezinde politiek' SGP-jongeren

Onderstaand stuk vormt de inleiding op het manifest 'Kindgezinde politiek' en is geschreven door Dirk-Jan Nijsink, jeugdwerkadviseur van SGPJ en mij. De gebruikte literatuur is aan het eind te vinden.


Het gaat niet goed met het gezin of de familie. Conservatieve mensen, rechtse en linkse mensen, zijn bezorgd – natuurlijk om uiteenopende redenen – over de toekomst van het gezin. Van een stoffig, kneuterig onderwerp werd het gezin een hot item in de politiek. Veel landen in Europa formuleerden gezinsbeleid en in 2006 werd André Rouvoet de eerste minister voor Jeugd en Gezin in Nederland. Het gezin staat al decennia onder druk en dat vindt voor een groot deel oorzaak in de maatschappelijke veranderingen die zich in de jaren 1970 in Nederland voordeden. Zonder hierbij schuldigen aan te wijzen is het belangrijk te constateren dat vooral de aftocht van traditionele waarden hieraan ten grondslag liggen. Het is de verdienste van het christendom en eeuwen Westerse beschaving, die voortvloeit uit het christendom die afkavelen. Daar tegenover staat een nieuwe levenshouding die individualistisch en vooral hedonistisch is.1 Wij zijn er niet van overtuigd dat de christelijke waarden leiden tot een Utopia, dat het anders is heeft de geschiedenis ons wel geleerd. Desondanks durven we toch tegen de stroom in te roeien. In Nederland is het verdacht om een andere mening te hebben dan de meerderheid, onze opvattingen mogen dan ‘betuttelend’ of ‘conservatief’ zijn, wij zijn ervan overtuigd dat ‘een goed gezin het halve werk’ is.

Definities van het gezin
De geschiedenis van het gezin, of de familie, is al zo oud de mens zelf is. Overal waar mensen geleefd hebben en zich voortplantten ontstonden vormen van samenleven. Ook in de Bijbel is vanaf het vroegste begin menselijk leven georganiseerd rondom families en gezinnen. Er bestaat veel variatie in gezins- en familieleven, maar wat vooral opvalt, is de grote mate van onveranderlijkheid. Door de tijd heen treffen we eigenlijk slechts 2 soorten aan: de Großfamilie en de Kleinfamilie: het kerngezin2. De tweede bestaat alleen uit vader en moeder, de eerste is breder en beslaat ook grootouders, verwanten en eventueel personeel dat tot de familie wordt gerekend.

Van Dale geeft de meest eenvoudige definitie van een gezin: ouders en kinderen. Een wat uitgebreidere definitie luidt: ‘Gezin’ is de term voor alle samenwerkingsvormen die een herkenbare sociale eenheid op microniveau vormen, met al dan niet verwante personen die duurzame en affectieve banden hebben en elkaar onderling steun en verzorging verlenen. In de klassieke interpretatie betekent dit 2 biologische ouders, 1 mannelijk, 1 vrouwelijk en al dan niet een aantal kinderen en soms naaste familieleden. Dat er door de moderniteit en het explosieve aantal echtscheidingen een oerwoud is ontstaan aan verschillende vormen van samenleven, met of zonder kinderen, behoeft geen toelichting.

Of we nu over Großfamilie (vooral vroeger op het platteland) of Kleinfamilie (meer in desteden) spreken, het begrip gezin of familie heeft altijd, in positieve zin, de notie gehad van warmte, geborgenheid, de plek waar emoties opgevoed worden, waar het karakter gevormd wordt en waar het kind zichzelf als wezen ontplooid. De functie van het gezin is altijd geweest: Bescherming en zorg voor haar leden. Zijn er kinderen, dan komt opvoeding daarbij.

Ideologische overwegingen
Voordat de bespreking van (het verval van) gezins- en familieleven verder gaat, brengen we de christelijke grondslagen ervan naar voren. Al in Genesis 2 lezen we van een organische en juridische, onverbreekbare eenheid die in het Nieuwe Testament overeind blijft en zelfs een geestelijke duiding krijgt.3 Dit oude christelijke principe is bovendien in de westerse traditie overeind gebleven. Duidelijkheid voorop: wij gaan hier uit van de idee dat het traditionele model het beste is. Vanuit onze christelijke visie is het huwelijk voor man en vrouw, allerlei andere vormen wijzen wij af. Tegelijkertijd erkennen we de gebrokenheid die er op dit punt is. De waardering voor een gezin bestaand uit man en vrouw en eventueel kinderen mag er niet toe leiden dat andere vormen, waar mensen zelf voor kiezen, geen aandacht krijgen. Met andere woorden: politiek zijn we er voor alle gezinnen, maar moreel kiezen we voor het traditionele gezin.

Vanouds beschouwde het westerse recht het gezin, niet het individu, als de fundamentele bouwsteen van de sociale orde. Het gezin werd gezien als eenheid waarvan het hart bestond uit man, vrouw en kinderen. Bovendien belichaamde het westerse recht het idee van gescheiden sferen van activiteit van mannen en vrouwen. Het had het beeld van de vrouw als degene die zorg draagt voor huis en kinderen en van de man als kostwinner en beschermer van het gezin waarover hij heerschappij voerde. De implicaties van een dergelijke visie zijn veelvuldig.4 Ergens kwam de klad erin. Onder invloed van Verlichting en Romantiek5 (1650-1850) zijn de klassiek-christelijke noties van huwelijk tegenwoordig niet meer in zwang. Sinds de ideeën van voorgenoemde stromingen in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw serieus in zwang raakten heeft het klassieke gezinsleven een terugval meegemaakt die zijn weerga niet kent.

Aanleidingen tot het manifest
In Nederland is, in navolging van landen als Duitsland en Frankrijk expliciet gezinsbeleid geformuleerd. Recent bracht André Rouvoet De kracht van het gezin, nota gezinsbeleid 2008 uit. In de nota ligt prachtig verwoord waar de grenzen van de overheid liggen. Veel is er in dit verband gezegd en geschreven over het antirevolutionaire beginsel van ‘soevereiniteit in eigen kring’. Een goed uitgangspunt, maar hier ligt gelijk onze grootste kritiek: als het gaat om de aanpak van problemen bewaakt Rouvoet dit uitstekend. Maar juist als het gaat om een goed gezin en opvoeding van kinderen maakt de overheid al te makkelijk inbreuk in het gezin om, door kinderopvang, een deel van de opvoeding als staat over te nemen. Juist hier moet gelden: eerst het gezin, dan de netwerken en in nood de overheid. Juist hier zou het gezin doel op zich moeten zijn, en de nadrukkelijke koppeling tussen arbeidsparticipatie en het gezin niet aanwezig moeten zijn. De overheid moet een moreel appel doen op haar burgers om tijd – het is niet goed voor het immateriële kapitaal van een samenleving als niemand tijd heeft – te maken voor opvoeding. Niet alleen als een soort Bildung-ideaal, maar als werkelijkheid.

In dit manifest doen we een christelijke handreiking voor ‘kind-gezin-de’ politiek. Daarom zien wij het gezin niet in de eerste plaats als economische eenheid, maar vragen we aandacht voor het gezin als politiek doel op zich. Niet om als overheid de wet voor te schrijven of intensief te bemoeien met levens van burgers, maar om ruimte te geven aan burgers om tijd te nemen voor het opvoeden van kinderen. Kindgezinde politiek wil van Nederland geen ‘kinderrepubliek’ maken, maar kinderen verdienen – dat blijkt ook uit de Kinderrechten – geborgenheid, liefde en ontplooiingsmogelijkheden. Wij geloven in een positieve boodschap. Het gezin is van onschatbare waarde.

Voetnoten
1 Zie voor een heldere uiteenzetting: Henk Hofman, Verlicht of verblind? Een apologie. Over het contrast tussen het traditionele christendom en het verlichtingsdenken (Soesterberg: Aspekt 2008).
2 Andreas Kinneging, Geografie van Goed en Kwaad, filosofische essays (Utrecht: Spectrum 2005) 181-192.
3 Zie Efeze 5:22-33, maar ook Politeia van Aristoteles (Kinneging) en uitleg van Efeze 5: 25: ‘Gij mannen, hebt uw eigen vrouwen lief, gelijk ook Christus de gemeente liefgehad heeft en Zichzelven voor haar heeft overgegeven’ Statenvertaling) door D.M. Lloyd Jones: Life in the Spirit: In marriage,home and work (Grand Rapids: Baker 1976).
4 Kinneging, Geografie van goed en kwaad, 193.
5 Zie voor uitgebreide beschrijving van de invloed van Romantiek en Verlichting op het denken over het gezin en de sociale en maatschappelijke gevolgen hiervan: Kinneging, Geografie van goed en kwaad, hoofdstuk 13 in zijn geheel

maandag 1 december 2008

Cultuur Onderwijzen

Recensie van ‘Waarom Cultuur belangrijk is’ door Roger Scruton.

Te midden van alle negatieve berichtgeving rondom het Nederlandse onderwijs –er liggen immers 2 dikke rapporten dat het met het Nederlandse Onderwijs simpelweg exceedingly slecht gesteld is- verschijnt er een sprankje hoop aan de horizon: Er is een Nederlandse vertaling beschikbaar van het boek ‘Waarom cultuur belangrijk is’ (Culture counts. Faith and Feeling in a World besieged) van de bekende Britse filosoof en prominent conservatief denker Roger Scruton.

In de allereerste zin van het woord vooraf stelt Scruton kort en onomwonden wat het probleem is: "De westerse samenlevingen, van buitenaf beproefd door de radicale islam en van binnenuit door het ‘multiculturele’ denken, maken een acute identiteitscrisis door." In deze tijden van verregaande subjectiviteit en cultureel relativisme lijkt haast geen besef meer te bestaan van de collectief geërfde culturele waarden en het gros van de Nederlanders is hard op weg zich de erfenis van eeuwen Europese Cultuur te onterven en in een weg van individualisme en goedkope zelfverheffing ten onder te gaan.
Als moderne mensen over beschaving spreken zullen ze altijd een levensvatbare democratie en superieure technologie als haar belangrijkste kenmerken opnoemen. Deze verworvenheden, vooral zichtbaar in de geschiedenis van de wording van Amerika, dwingen ons volgens Scruton ons opnieuw te bezinnen op onze westerse beschaving. Amerika, het land waar we zozeer van afhankelijk zijn geworden is in tegenstelling tot Europa een weg opgegaan die zich in geen enkele plaats of tijd herkent. Door ons opnieuw op de westerse beschaving te bezinnen zullen we niet uitkomen bij een immigratieland dat zich niet herkent in enige plaats of tijd, maar bij “een project dat twee millennia geleden voorkwam uit grote gebeurtenissen in het Middellandse Zeebekken, en waarop vandaag de dag de aspiraties en antipathieën van het hele mensdom gericht zijn.” “De sterke nadruk op verworvenheden en weldaden als democratie en technologie weten het hart niet voor zich te winnen”, zo legt Scruton ons in zijn voorwoord uit, “Zij scheppen niet de diepe verbondenheid waarvan de toekomst van onze beschaving afhangt. Ze creëren geen perspectief op het menselijk leven en de betekenis daarvan, dat ofwel bestand is tegen het sarcastische nihilisme van de interne critici van het westen ofwel tegen de humorloze kwezelarij van de islam. Als we met zulke vijanden te maken hebben, gaat het er niet om dat we onze successen bekrachtigen, maar ons recht van bestaan”.
Indrukwekkende taal, maar wat hebben we eraan als we over het Nederlandse onderwijs hebben? Scruton neemt het in zijn boek op voor het christendom dat ons volgens hem in staat stelde ons recht van bestaan te bekrachtigen en ons de diepe verbondenheid liet voelen waarvan ons bestaan afhing, door ons het visioen van Gods genade en onze verlossing te schenken. “Wij(dus ook Reformatorische christenen) moeten cultuur zien als de bewaarplaats van emotionele kennis, waardoor we de betekenis van het leven als doel op zichzelf kunnen leren begrijpen. Cultuur erft van de religie de kennis van het hart, waarvan sympathie de essentie vormt. Maar zelfs als de religie die haar aanvankelijk voortbracht er niet meer is, kan die kennis worden doorgegeven en uitgebreid. Ja, in die omstandigheden is het des te belangrijker dat de cultuur wordt doorgegeven, omdat ze de enig overdraagbare getuigenis vormt van het hogere leven van de mens.”
Als vanzelf volgt hieruit de noodzaak voor het onderwijzen van cultuur. Waarom? “Omdat het zoveel kennis en interesse bevat, kennis hoe met elkaar en met vreemdelingen om te gaan, kennis van het menselijke hart, zoveel liefde voor het leven”, zo stelde Scruton in een interview naar aanleiding van de verschijning van de Nederlandse vertaling.
Scruton gaat ook in op de huidige malaise in het onderwijs en stelt onomwonden dat een van de meest diepgewortelde vormen van bijgeloof van onze tijd zegt dat het doel van onderwijs is om de ontvangers ervan te begunstigen. Met zijn warme cultuurpleidooi in ons achterhoofd wordt het duidelijk dat leerlingen naar school gaan, niet om zichzelf, maar die schat aan morele en emotionele kennis te begunstigen. Alles wordt in het huidige socialistische en egalitaristische denken over onderwijs onderworpen aan dat ene criterium: is het relevant, algemeen voor iedereen? Maar, zo antwoordt de Britse filosoof in hetzelfde interview: ‘The purpose of education is not to sink to the level of people who don’t have it, but raise people up to the level of those who do’. Hij voert een warm en helder beargumenteerd pleidooi voor kennisoverdracht, het onderwijzen van literatuur, muziek en kunt, voor morele vorming en het opvoeden van emoties, zodat leerlingen weten wat ze moeten voelen wanneer er een moreel of esthetisch oordeel wordt gevraagd. Ook de huidige massamedia moeten het ontgelden in zijn boek. Massamedia focussen namelijk niet op reflectief begrip maar op sensatie. Mensen leven op een tijdelijk dieet van opwinding, in een eeuwig heden, zonder verbinding met het verleden en wat dat bracht.
Scruton constateert toch glimpjes hoop in het laatste hoofdstuk. Zoetjesaan groeit er een zachte weerzin tegen het nihilisme. Met name nu, nu het vooral gaat om het hoe van het onderwijs en niet om het waarom en wat is Scruton’s boek een belangrijke richtingwijzer. Voor wie zijn ideeën over onderwijs wil toetsen aan klassiek Europees, christelijk denken neme en leze dit boek.

Kees Jansen

N.a.v. ‘Waarom Cultuur belangrijk is’, Roger Scruton
Nieuw Amsterdam 2007


Dit artikel verschijnt binnenkort in 'De Banier', het partijblad van de SGP. Ik schreef dit artikel namens de SGP-jongeren.
(Meer informatie over mij, deze blog, links en leeslijst: onderaan pagina)